Door: Dana Linssen

Ate de Jong heeft helemaal gelijk natuurlijk (en die sterren kunnen mij ook de ballen schelen)

23 april 2013

Filmcritici en filmmakers. Ze staan ieder aan een andere kant van de dansvloer tijdens hetzelfde bal. And never the twain shall meet. Tenzij een film juichend wordt besproken. Kracht bijgezet door sterren, kometen en andere glanzende hemellichamen. Dan is de filmcriticus ieders beste vriend.

De enige keer dat de wegen van filmmaker Ate de Jong en mij elkaar hebben gekruist, was tijdens het Filmfestival Rotterdam afgelopen februari. Ik liep met de FILMRANT te leuren (een dagelijks filmpamflet in de exclusieve oplage van 49, waarover zo meer) en stak net een gloedvol verkooppraatje af tegen een andere filmregisseur in de hoop hem over te halen er voor een euro eentje aan te schaffen, toen De Jong in zijn zak greep en mij een euro overhandigde. Ik was ongeveer halverwege het betoog dat niet alles in het leven om de macht van het getal draait en vond het, zeker met terugwerkende kracht, nogal een fideel gebaar van iemand die in de filmwereld bekend staat als een cijfertovenaar die allerlei wiskundige formules heeft uitgevonden om te berekenen hoeveel procent kans van slagen een filmplan heeft. Dat het De Jong was realiseerde ik me namelijk pas toen iemand hem met een luidkeels ‘Ate’ begroette. Waarschijnlijk kende hij mij ook niet, en bedenkt hij nu pas, bij lezen, dat ik dat was. Zo klein(zielig) is de Nederlandse filmwereld dus ook weer niet.

Fantoomschermen

Tot zover mijn interacties met Ate de Jong die, als ik het goed begrijp, nu ook een rekenkundig model heeft uitgedacht om de kwaliteit van filmrecensies te meten. Het is een beetje pech dat hij nu net met al deze mathematische vernieuwingen komt op het moment dat zijn meest recente film Het Bombardement (2012) om allerlei redenen niet precies aan al dat gecijfer kon voldoen. Maar over die film gaat het hier nu niet. Ik heb hem niet gezien. En dat is voor wat volgt niet noodzakelijk.
Het gaat hier over filmkritiek.
Feitelijk komt het erop neer dat ik hier op uitnodiging van de Dutch Directors Guild gevraagd ben iets over filmkritiek te schrijven. Niet zomaar iets. Maar iets dat naast, of bij, of onder een essay kan komen te staan dat Ate de Jong heeft geschreven over filmkritiek. Wat er in dat essay staat weet ik niet. Op verzoek van Ate de Jong mag ik het niet lezen, zodat het geen ‘welles-nietes’ zou worden.
Dit wat u nu leest is een polemiek zonder polemiek dus. Een gedachtewisseling met een gesprekspartner buiten gehoorsafstand. Een potje fantoomschermen.

Ik weet wel een paar dingen natuurlijk. De DDG heeft me een paar ijkpunten meegegeven. Ik citeer uit de mail: “In dit essay vraagt hij [Ate de Jong, DL] zich onder meer af of een filmcriticus wel over film kan schrijven zonder zijn eigen mening te negeren en het doelpubliek dat de maker voor ogen heeft. (Hij vindt onder meer ook dat de criticus de film moet bekijken met het publiek er bij). De redactie van de Gazet Online wil de lezers ook graag de visie van een criticus laten lezen. Hoe ziet hij/zij de rol van de filmcriticus in de huidige cultuur?”

Smaak

Verder schreef de DDG desgevraagd in een tweede mail: “Wij willen graag een algemener verhaal en van een filmjournalist horen hoe hij/zij de rol ziet van een filmcriticus/de filmkritiek, zoals ik al hieronder [dit verwees naar hun eerdere mail, DL] schetste. Kun je je eigen smaak naast je neerleggen als je een film beoordeelt, moet je dat doen of juist niet? Wat is je uitgangspunt als je een film bekijkt en een kritiek schrijft. Is het wenselijk om een film te bekijken met publiek of juist niet? Is het makkelijker om iets af te branden, dan om iets te waarderen? Is er sprake van teloorgang van de filmkritiek of juist helemaal niet?”

Ik weet niet of ik op al die vragen in dit kort bestek een antwoord kan formuleren. Ik neem tenminste aan dat dat deels toch de bedoeling is. En niet alleen een antwoord, maar dat ik ook tot iets van een argumentatie probeer te komen. Maar laat ik toch maar alvast een paar antwoorden geven, misschien komen we in dit essay onderweg wel zaken tegen die interessanter zijn om bij stil te staan, en kom ik er straks niet meer goed aan toe. Mijn antwoorden zijn gebaseerd op een mix van ervaring, observatie en kennis. Precies zoals de filmcriticus zich ergens tussen de essayist, de journalist en de academicus bevindt.

Film zoals film bedoeld is

Ja. Ik geloof dat je je eigen smaak naast je kunt neerleggen als je een film beoordeelt. En ik vind ook dat je daar als filmcriticus toe in staat zou moeten zijn. In hoeverre, dat verschilt per film en per recensie. Elke film dicteert zijn eigen kritiek. En ik vind overigens het ‘beoordelen’ het minst interessante deel van de filmkritiek. Dat zijn al onderwerpen die ieder een essay op zich waard zijn.

Ik weet niet in hoeverre het wenselijk is om een film met een publiek erbij te bekijken. In 90% van de gevallen dat ik een film zie is dat met een publiek erbij. Of dat nu een bont gezelschap van collegajournalisten is, een door de distributeur opgetrommeld stelletje claqueurs tijdens een zogeheten ‘multimediascreening’ of een andersoortig publiek. Met of zonder publiek, ik geef er in ieder geval de voorkeur aan een film te bekijken in de omstandigheden waarvoor hij door de makers bedoeld is: in een donkere ruimte, op een groot scherm en in een ononderbroken zitting. Dat laatste vind ik eigenlijk nog wel het belangrijkste.

Om die reden ben ik niet echt een liefhebber van een zaal vol bellende, bierdoppen ploppende en in bakken popcorn rommelende filmkijkers en al helemaal niet van het fenomeen pauze, waarvoor tegenwoordig alleen nog maar even het digitale beeld bibberend hoeft te worden stilgezet op een voor de bioscoopuitbater gunstig moment om de dalende recette-inkomsten te compenseren met de megadeals van de buffetomzet. Over dat al dan niet ‘doel’-publiek verder nog dit: zou de film niet voor zichzelf moeten kunnen spreken?

Verder is het moeilijker om iets ‘af te branden’ dan te waarderen, om de simpele reden dat als je razend enthousiast bent je een heel eind komt met superlatieven en retoriek, terwijl je als je kritisch bent over een film je veel beter beslagen ten ijs moet komen. Om die reden zouden zogenaamd negatieve recensies natuurlijk altijd langer moeten zijn dan de positieve.

En aangezien datgene wat op dit moment in de meeste Nederlandse media (of het nu de traditionele kranten of de andere media zijn) wordt bedreven eigenlijk bij lange na geen filmkritiek is, geloof ik niet dat je kan spreken van een teloorgang van de filmkritiek.
Nu wordt het lastig.
Want wat is dat dan, filmkritiek?

Röntgenplaat

‘Kritiek’ komt van het Griekse ‘krités’, waarin we naast beoordelen ook betekenissen als observeren, analyseren, interpreteren en beargumenteren terugvinden. Zonder dat complex aan werkingen geen kritiek. Maar verder zou je kunnen zeggen dat net zoals niemand precies weet wat cinema is, niemand ook exact kan definiëren wat filmkritiek is.

Als we André Bazin de eerste filmcriticus noemen en in gedachten houden dat de basisvraag die hij in zijn werk stelde wat film is (‘Qu’est-ce qu’est le cinéma?’), dan zou je kunnen zeggen dat filmkritiek zich bezighoudt met de beantwoording van die vraag door het schrijven over film. Bazin vond het antwoord op die vraag via individuele films. Maar hij vond geen definitie. Die is er ook niet. Want wat film is, toont zich in meer of mindere mate in de filmgeschiedenis en de producties die zij heeft voortgebracht. Zo zijn stukken over film in meer of mindere mate filmkritisch, al naar gelang we er als lezer iets van het antwoord op die vraag in gewaarworden. Als er dat kortstondige moment is, die opflikkerende vlam waardoor we iets denken te begrijpen. Zelfs al ontglipt het ons daarna weer.

Een criticus is in die zin een soort röntgenplaat, of een ander soortig lichtgevoelig materiaal waar de film als het ware doorheen gaat en een indruk of afdruk op nalaat.

Filmkritiek is in de meeste gevallen een onderdeel van de filmjournalistiek. En de filmjournalistiek in de Nederlandse media richt zich vooral op informeren en adviseren, via deels kritische instrumenten als analyse, beschrijving, duiding, context en evaluatie en interpretatie. In de enkele gevallen dat er daarin iets doorschemert wat inzicht geeft op de vraag wat cinema is, kun je denk ik spreken van filmkritiek.

Hashtags en bezoekcijfers

Wat film is en wat filmkritiek zijn dus naar hun aard fluïde, flexibel, in wording. De filmkritiek vandaag is anders dan die in de begindagen van de cinema. (Alhoewel de missie van de eerste filmcritici, die er vooral op gericht was om te verdedigen dat film ook een kunstvorm is en niet alleen maar een of ander kermisvermaak bedoeld om de horden te vermaken nog lang niet beëindigd lijkt, zeker in het momenteel kunstvijandige Nederland niet). De dood van de filmkritiek (en de kunstkritiek in het algemeen) wordt al tientallen jaren bezongen of beweend. Dat is misschien wel eigen aan de kritiek: de legitimatiecrisis is waarschijnlijk geen crisis, maar z’n essentie. In de kritiek herontdekt de kunst zich. Zonder je bij tijd en wijle af te vragen wat kritiek is en hoe die zich tot de huidige stand van zaken verhoudt, heb je geen kritiek, maar dogma.

Het is dan ook niet zozeer de dood van de kritiek die we moeten vrezen, want de kritiek sterft niet, die transformeert, maar die van de professionele criticus. Die van de waarlijk onafhankelijke filmkritiek. Anders dan in elke andere beroepsgroep bestaat in de kunsten in toenemende mate de neiging om de lof te zingen op allerlei verschijnselen die de waarde van een film zouden moeten ‘meten’, die in wezen tamelijk weinig met de vraag wat die film zelf is te maken hebben.

Hashtags en bezoekcijfers maken de dienst uit. In plaats van die goeie oude, en toch al vaak uit hun verband gerukte persquootjes op de poster drukken distributeurs nu alleen nog maar sterren en prijzen en nominaties af bij wijze van aanbeveling. Alles wat veel en groot is is goed. De macht van het getal is het enige dat telt. Die dictatuur van die 50.000.000 Elvis fans that can’t be wrong (en die in het geval van Elvis natuurlijk helemaal gelijk hadden) lijkt ons zelfstandige denken volkomen te hebben geïnfecteerd. Iedereen heeft gelijk, en vooral als ze met veel zijn.

Het is een in wezen angstig antidemocratisch verschijnsel dat groter is dan de kunsten. Het is een systeem waarin alleen ruimte is voor de stem van de meerderheid, waarin alleen die zogenaamde meerderheid z’n zin krijgt, en alles wat ‘anders’ is verdacht is. De legitimiteitsvraag die nu aan critici wordt gesteld, zien we bijvoorbeeld ook in de politiek, waar populariteitspolls de dienst uit maken met een gezagscrisis als gevolg. Maar ook de juridische wereld heeft ermee te maken. En hoe lang duurt het nog voordat we het ook beter willen weten dan onze artsen en ingenieurs, zelfs als dat zieken en instortende bruggen tot gevolg heeft? Wat is dat toch voor vreemde neiging om iets wat de basis is van (onze) cultuur, namelijk professionaliteit en (het streven naar) expertise, kunst en kunde, die mysterieuze mix tussen ambacht en talent, passie en toewijding, failliet te verklaren ten faveure van de amateur, of erger nog de dilettant? Is het angst? Is het luiheid? Is het als in de Brechtiaanse ‘Balade vom angenehmen Leben’: “Was hilft da Freiheit, es ist nicht bequem / Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm”?

Gesprek

Als iedereen een mening heeft, heeft iedereen gelijk, en heeft niemand meer gelijk (dan de ander). Dat is niet erg, juist lekker makkelijk (en aangenaam!), maar het holt wel de gemeenschappelijk grond voor gesprek uit. Het versterkt het welles-nietes waar Ate de Jong en de DDG bang voor zijn. ‘Nou ik vond het wel een mooie film.’ ‘Nou ik niet.’ ‘Maar er zijn een half miljoen bezoekers op af gekomen.’ ‘Nou en?’ ‘Ja, maar op die vage artfilm die jij zo mooi vindt maar 3000.’ Ja dus?’

Daar kan het namelijk allemaal wel over gaan. Maar in de filmkritiek draait het om andere dingen. Om films ondervragen en ervaren. Om te zien wat ze betekenen. Tijdens het kijken. In relatie tot de wereld. Om een gesprek. Dat is mijn uitgangspunt tijdens het schrijven van mijn kritieken. Een gesprek. Een ontmoeting. Met de ander en het andere. Nieuwsgierig en onbevangen. Dat is een maatschappelijke en een menselijke rol. En ik zie er ook wel een zeker nut in (want ik vermoed dat Ate de Jong misschien geen genoegen zal nemen met mijn constatering dat de legitimiteitsvraag de essentie is van de filmkritiek zelf, en het zoeken het antwoord. Hij zal vast willen weten waarvoor dat allemaal ‘nodig heb’ – we leveren namelijk geen geld op. We – oh foei – kosten geld). Het ‘nut’ is namelijk dat we op deze planeet niet kunnen overleven als we niet buiten onszelf durven treden door verbeeldingskracht en inlevingsvermogen. Als we niet groter kunnen denken dan onze eigen existentie. Ben ik daarom filmcriticus geworden? Niet echt. Het is meer iets wat ik gaandeweg heb ontdekt. En dat de voorwaarde voor dat alles meer is dan alleen maar filmliefde, maar simpelweg ‘goed kijken’. En dat is al moeilijk genoeg.

Ik weet niet of het de schuld van de filmkritiek is dat dat te weinig gebeurt. Het is, zoals geschetst, een groter verschijnsel. Het is het gevolg van hoofdredacteuren die bang zijn voor de mening van hun lezers, en filmmakers die bang zijn voor hun publiek. En uiteindelijk critici die bang zijn voor hun eigen ogen. Want stel je voor dat ze het eens niet goed hebben gezien?

Visuele filmkritiek

Aangezien ik er niet zo van hou om met vingers te wijzen, vind ik het interessanter om te kijken wat de filmkritiek zelf kan doen, en doet. Want het lijkt misschien de slechtste der tijden, maar het is ook de beste der tijden. Het feit dat de filmkritiek zich op zichzelf moet bezinnen heeft geweldige dingen voortgebracht. Op internet floreren webzines waarin stukken worden gepubliceerd die uit meer bestaan dan een meningencarrousel en die door de printmedia steeds vaker verbannen worden. De visuele filmkritiek en het video-essay zijn in opkomst, en zelfs al zo ver dat er al een soort standaard bestaat die nu door nieuwe visuele filmcritici bevraagd en doorbroken wordt. Er vinden tijdens festivals en op andere momenten live-filmkritiek-evenementen plaats. Critici maken films om te onderzoeken wat film is en wat filmmakers willen zeggen. Ze werken als programmeur en curator om de films in te kaderen, of simpelweg te laten zien op momenten waar de traditionele distributiekanalen zich uit commerciële bangigheid niet meer aan een onderzoek naar innovatieve cinema durven wagen (en niet meer durven falen).
Er wordt nagedacht.
En ik kan het iedereen aanraden.
Er gaat iets geweldig prikkelends uit van nadenken.

De Filmkrant bezondigt zich regelmatig aan dit soort experimenten met nieuwe vormen. Het zoeken van de juiste vorm bij de juiste film. Het hele Slow Criticism Project dat dit jaar z’n vijfde verjaardag viert is er een uiting van. Die FILMRANT in Rotterdam was een speelse manier om op een andere manier aan festivalverslaggeving te doen. We hebben podcasts gemaakt. Gedichten geschreven. Live-kritiek-events georganiseerd. Misschien zingen we de volgende keer wel een lied op het Schouwburgplein.

Wat Ate de Jong ook gaat beweren, hij heeft helemaal gelijk natuurlijk. En verder kunnen die sterren onder die recensies mij ook de ballen schelen. Filmmakers en filmrecensenten maken deel uit van dezelfde filmcultuur. Aan de andere kant van de dansvloer. Dat wel. Zonder de een geen ander. Als licht en schaduw.

Nu maar weer eens naar de film.